Julius Caesar
uit Keizers van Rome door Suetonius
Caesar was vijftien
toen hij zijn vader verloor. In het jaar daarop werd hij aangewezen tot priester
van Jupiter en trouwde hij met Cornelia, de dochter van Cinna, die vier maal
consul was geweest. Hij verbrak hiervoor zijn verloving met Cossutia, een meisje
uit de ridderstand, maar zeer rijk. Deze verloving was gearrangeerd toen Caesra
nog een minderjarige knaap was. Cornelia schonk Caesar na korte tijd een dochter,
Julia, en wat de dictator Sulla ook probeerde, hij kon Caesar er niet toe bewegen
zijn huwelijk met haar te verbreken. Dit kwam hem te staan op het verlies van
zijn priesterambt, de bruidsschat van zijn vrouw en het recht op erfenissen
in zijn familie. Bovendien werd hij nu politiek tegenstander van Sulla beschouwd,
zodat hij zich genoodzaakt zag onder te duiken, iedere nacht ondanks aanvallen
van malaria van schuilplaats te veranderen en zich met steekpenningen los te
kopen van Sulla's agenten. Ten slotte bewerkstelligden de Vestaalse maagden
en zijn verwanten Mamercus en Aurelius Cotta dat hij gratie kreeg. Het staat
wel vast dat Sulla lange tijd gewijgerd heeft in te gaan op de voorspraak van
enkele hooggeplaatste mannen met wie hij zeer bevriend was. Toen hij zich ten
slotte op hun herhaald aandringen gewonnen gaf, moet hij hebben uitgeroepen,
door goddelijke ingeving of intuitie, dat zij hun zin dan maar moesten krijgen
en dat ze hem mochten behouden, als ze maar goed beseften dat de man die ze
met alle geweld wilden redden een de conservatieve partij, die ze met hem hadden
verdedigd, zou vernietigen. "Want in deze Caesar schuilen vele Mariussen".
Hij begon zijn militaire loopbaan in Klein-Azie in het gevolg van Marcus Thermus, door wie hij naar Bythynie gezonden werd om schepen te vorderen. Daar bleef hij lange tijd bij koning Nicomedes hangen, wat tot het gerucht leidde dat hij een verhouding met de koning had gehad. Hij gaf daar nog extra voedsel aan door een paar dagen later terug te gaan naar Bithynie, zogenaamd om er een som geld te innen die een client van hem, een vrijgelatene, te vorderen had. Zijn verderediensttijd leverde hem een betere reputatie op en bij de verovering van Mytilene werd hij door Thermus zelfs met de eikenkrans onderscheiden.
Hij diende ook onder Servilius Isauricus in Cilicie, maar niet lang. Want het bericht van Sulla's dood en de kansen die de spanningen, veroorzaakt door het optreden van Marcus Lepidus, hem schenen te bieden deden hem besluiten snel terug te gaan naar Rome. Hij sloot zich echter niet aan bij Lepidus, hoewel hem de schitterendste aanbiedingen werden gedaan, omdat hij geen vertrouwen had in diens capaciteiten en de omstandigheden minder gunstig bleken dan hij zich had voorgesteld.
Hoe het ook zij, toen de binnenlandse onenigheden waren bijgelegd, klaagde hij Cornelius Dolabella, een oud-consul die met een triomftocht was onderscheiden, aan wegens afpersing van provinciebewoners. Dolabella werd echter vrijgesproken en Caesar besloot zich terug te trekken op Rhodos, niet alleen om zich aan de vijandige stemming te onttrekken, maar ook om rustig en ongestoord te kunnen studeren bij Apollonius Molo, de beste leermester in welsprekendheid van die tijd. Op zijn reis naar Rhodos, die hij maakte toen de winter al was ingevallen, werd hij bij het eiland Pharmacussa door zeerovers gevangen genomen en tot zijn grote ergenis veertig dagen vastgehouden, vergezeld door een arts en slechts twee dienaren. Want zijn begeleiders en de andere slaven had hij direct weggestuurd om zijn losgeld bijeen te brengen. Nadat hij vijftig talenten had uitbetaald, werd hij aan land gezet. Zonder een moment te verliezen, koos hij met een aantel schepen zee en achtervolgde de wegzeilende piraten. Zodra hij hen te pakken had gekregen, liet hij hen, zoals hij dikwijls met een lachend gezicht gedreigd had, aan het kruis slaan.
Omdat Mithridates de gebieden die grensden aan zijn koninkrijk verwoestte, stak Caesar van Rhodos, waar hij inmiddels was aangekomen, over naar klein Azie, om niet de indruk te wekken dat hij werkeloos toezag terwijl de bondgenoten in gevaar verkeerden. Hij bracht ongeregelde troepen op de been en slaagde erin de steden die in onzekerhied dreigden af te vallen voor Rome te behouden door de stadhouder van koning Mithridates uit de provincie te verdrijven.
In zijn funcie van krijgstribuun, het eerste ambt dat hij na zijn terugkeer in Rome door een volksstemming verkreeg, steunde hij met al zijn energie de voorstanders van het herstel van de bevoegdheden der volkstribunen, die door Sulla waren beperkt. Ook wist hij te bereiken dat zijn zwager Lucius Cinna en degenen die zich met hem aan de kant van Lepidus hadden geschaard en na de dood van de consul hun toevlucht hadden gezocht bij Sertorius mochten terugkeren in Rome. Plotius diende het desbetreffende voorstel in en Caesar steunde het in een rede tot het volk.
Tijdens zijn quaestuur sprak hij na het overlijden van zijn tante julia en zijn vrouw Cornelia de gebruikelijke herdenkingsrede uit op het officiële spreekgestoelte. In de lijkrede voor zijn tante spreekt hij in deze bewoordingen over het voorgeslacht in mannelijke en vrouwelijke lijn van haar en van zijn vader: 'Mijn tante julia stamde van moederszijde af van de koningen en was van vaderszijde verwant met de onsterfelijke goden. Haar moeder behoorde namelijk tot de Marcii Reges, die afstammen van Ancus Marcius, en de julii, tot welk geslacht onze familie behoort, stammen af van Venus.' Zo verenigt ons geslacht in zich de onaantastbare majesteit van koningen, die onder de mensen de hoogste macht bezitten, en de heiligheid van de goden, aan wie zelfs koningen onderworpen zijn.'
Na Cornelia's dood huwde hij Pompeia, dochter van Quintus Pompeius en kleindochter van Lucius Sulla. Later scheidde hij van haar, omdat hij haar van overspel verdacht met Publius Clodius. Over deze Clodius werd verteld dat hij Pompeia tijdens een godsdienstige plechtigheid in vrouwenkleren had benaderd. Zo hardnekkig was dit gerucht, dat de senaat een onderzoek liet instellen naar deze heiligschennis.
Als quaestor werd hem door loting Zuid-Spanje toegewezen. Een van de dienstreizen die hij daar in opdracht van de gouverneur langs de arrondissementen maakte om recht te spreken voerde hem naar Cadiz, waar hij bij de Herculestempel een standbeeld van Alexander de Grote opmerkte. Toen hij dat zag, zuchtte hij diep, en de gedachte dat hij nog niets gedenkwaardigs had gepresteerd op een leeftijd waarop Alexander de hele wereld aan zich had onderworpen, deed hem bijna walgen van zijn eigen gebrek aan initiatief. Hij diende dan ook prompt zijn ontslag in, met het voornemen in Rome de eerste de beste gelegenheid te baat te nemen om van zich te doen spreken. Daar kwam nog bij dat droomuitleggers bij Caesar-die tot zijn ontsteltenis had gedroomd dat hij gemeenschap had met zijn moeder-de volgende dag de verwachting wekten van een luisterrijke toekomst. Zij gaven namelijk als verklaring dat deze droom hem de wereldheerschappij voorspelde. Immers, de moeder die hij in zijn droom aan zich onderworpen had gezien, was geen ander dan de aarde, die als de moeder van heel het mensdom wordt beschouwd.
Hij verliet dus voortijdig de provincie en begaf zich naar de Latijnse kolonies, die actie voerden om het burgerrecht te verkrijgen. Hij zou hen er wellicht toe hebben bewogen in opstand te komen, als niet de consuls, om dit te voorkomen, de legioenen die voor Cilicië waren gelicht een tijd lang in het land hadden gehouden.
Ondanks deze tegenslag trad hij korte tijd later in Rome nog gedurfder op. Enkele dagen voordat hij zijn ambt als aedilis aanvaardde, viel namelijk de verdenking op hem dat hij een staatsgreep had voorbereid met de oud-consul Marcus Crassus en met Publius Sulla en Lucius Autronius, die na hun benoeming tot consul waren veroordeeld wegens ongeoorloofde praktijken bij de verkiezingen. Zij zouden aan het begin va n het jaar de senaat binnendringen en bepaalde door hen geselec- teerde senatoren doden, waarna Marcus Crassus zich als dictator zou opwerpen en Caesar zelf tot ritmeester zou worden benoemd. Vervolgens zouden zij de staatsinrichting naar eigen goeddunken wijzigen en Sulla en Autronius alsnog hun functie als consul geven. Deze samenzwering wordt vermeld door Tanusius Geminus in zijn geschiedwerk, door Marcus Bibulus in zijn edicten en door Gaius Curio de Oudere in zijn redevoeringen. Ook Cicero schijnt hierop een toespeling te maken in een brief aan Axius, waar hij schrijft dat Caesar zich als consul de al- leenheerschappij had verworven waar hij als aedilis van had gedroomd. Tanusius vermeldt nog dat Crassus uit berouw of angst niet op de vast- gestelde dag was verschenen en dat Caesar daarom het teken dat hij volgens de afspraak geven zou niet had gegeven. Die afspraak was vol- gens Curio dat hij zijn toga van zijn schouders zou laten glijden. Die- zelfde Curio, hierin gesteund door Marcus Actorius Naso, beweert dat hij ook met de jonge Gnaeus Piso gemene zaak heeft gemaakt. Aan Piso zou zelfs, omdat men hem ervan verdacht met plannen voor een staats- greep in Rome rond te lopen, een functie in Spanje zijn gegeven, voor- dat hij daarvoor eigenlijk in aanmerking kwam. De opzet was, dat ze op hetzelfde moment naar de macht zouden grijpen, Piso buiten en Caesar in Rome, terwijl tegelijk daarmee de Ambronen en de Transpadani in opstand zouden komen. Maar Piso's dood had hun plan verijdeld.
Als aedilis verfraaide hij behalve het Comitium, het Forum en de basilica's, ook het Capitool. Hij bouwde daar, omdat er niet voldoende plaats was voor zijn verzameling curiosa, galerijen voor tijdelijk gebruik als expositieruimte. Verder organiseerde hij gevechten met wilde dieren en toneelvoorstellingen, niet alleen met zijn collega maar ook afzonderlijk, wat tot gevolg had dat hij alleen met de eer ging strijken, ook wanneer zij het samen hadden betaald. Zijn collega, Marcus Bibulus, zei dan ook openlijk:'Het gaat met mij net als met Pollux; zoals de tempel, die op het Forum is opgericht voor de tweelingbroeders, alleen Castortempel wordt genoemd, zo wordt de vrijgevigheid van Caesar en mij samen aan Caesar alleen toegeschreven.' Ook gaf hij nog een gladiatorenvoorstelling, zij het met minder paren dan hij gewild had. Want er werd een beperkende bepaling aangenomen, waarin het maximum aantal gladiatoren was vastgelegd dat men in Rome mocht hebben, omdat het enorme aantal slaven dat Caesar overal vandaan bijeengebracht had zijn tegenstanders doodsbang maakte.
Nadat hij zo de sympathie van het volk had verworven, deed hij met hulp van een deel van de tribunen een poging om door een volksbesluit Egypte als arbeidsterrein toegewezen te krijgen. Hij zag een mogelijkheid voor een buitengewone volmacht, omdat de bewoners van Alexandrië hun koning, die van de senaat de titel 'bondgenoot en vriend van Rome' had ontvangen, verdreven hadden, hetgeen algemeen werd afgekeurd. Maar zijn toeleg mislukte door het verzet van de conservatieve partij. Als tegenzet liet hij, om haar invloed op alle mogelijke manieren te beperken, de monumenten ter nagedachtenis van Marius' overwinningen op Jugurtha en op de Cimbren en Teutonen, die lang tevoren door Sulla afgebroken waren, weer oprichten. Verder beschouwde hij, als rechter aan het Hof voor Moordzaken, ook diegenen als moordenaars die in de tijd van de proscripties geld uit de staatskas hadden ontvangen voor het inleveren van hoofden van Romeinse burgers, hoewel Sulla's wetgeving voor hen een uitzondering had gemaakt.
Zelfs liet hij door een stroman een aanklacht wegens hoogverraad indienen tegen Gaius Rabirius. Vooral dank zij hem had de senaat jaren tevoren de opstandige beweging van de tribuun Lucius Saturninus kunnen onderdrukken. Door het lot werd Caesar zelf tot rechter over de aangeklaagde aangewezen en hij veroordeelde hem met een zo kennelijk genoegen dat, toen Rabirius bij het volk in beroep ging, de vooringenomenheid van de rechter zijn voornaamste troef was. Omdat Caesar de hoop op een commando in Egypte had opgegeven, dong hij naar het ambt van Pontifex Maximus, waarvoor hij een kapitaal aan steekpenningen uitgaf. Denkende aan de enorme omvang van zijn schulden moet hij tegen zijn moeder, toen ze hem 's morgens vroeg bij zijn vertrek naar de verkiezingen een afscheidskus gaf, hebben gezegd: 'Of ik kom terug als Pontifex of helemaal niet'. En zie, hij bracht zijn beide invloedrijke rivalen, een zo vernietigende nederlaag toe dat hij alleen in hun districten meer stemmen kreeg dan zij met z'n tweeen in alle districten bij elkaar.
Na zijn benoeming tot praetor werd de samenzwering van Catilina ontdekt en terwijl de hele senaat de zwaarste straf eiste tegen de deelnemers aan de samenzwering, stelde hij als enige voor hen in verschillende provinciesteden gevangen te zetten en hun goederen verbeurd te verklaren. Door de voorstanders van een harder optreden er keer op keer op te wijzen hoe gehaat zij zich zouden maken bij het volk, boezemde hij hun zoveel vrees in dat de consul voor het volgende jaar, Decimus Silanus, zover ging dat hij aan zijn voorstel een zachtere uitleg gaf- het terug te nemen zou een blamage geweest zijn. Hij verklaarde namelijk dat hij het niet zo hard bedoeld had als men het had opgevat. Caesar zou het pleit nog gewonnen hebben ook -want verscheidene senatoren, onder wie Quintus Cicero, de broer van de consul, hadden zijn kant al gekozen- als niet een rede van Marcus Cato de senatoren, die door de knieen dreigden te gaan, nieuwe kracht had gegeven. Zelfs na de rede bleef hij nog obstructie plegen, tot een troep gewapende Romeinse ridders, die ter bescherming rond het senaatsgebouw stond opgesteld, hem vanwege zijn halsstarrige verzet met de dood bedreigde. Zij kwamen zo vervaarlijk met getrokken zwaarden opzetten dat degenen die naast hem zaten hem in de steek lieten en slechts een handvol getrouwen hem beschermde door hem tussen zich in te nemen en hun toga's voor hem te houden. Dat maakte Caesar pas echt bang, zodat hij niet alleen wegging, maar de rest van dat jaar zelfs geen voet meer in de senaat zette.
Op de dag van zijn praetuur daagde hij Quintus Catulus voor de volksvergadering voor een onderzoek naar de herstelwerkzaamheden aan het Capitool, nadat hij vooraf een voorstel bekendgemaakt had om deze taak aan een ander toe te vertrouwen. Maar tegen het esprit de corps van de conservatieven stond hij machteloos. Toen hij merkte dat zij onmiddelijk het gebruikelijke huldebetoon aan de nieuwe consuls beendigden en in grote getale toestroomden, vastbesloten zich te verzetten tegen zijn voorstel, trok hij het in.
Overigens betoonde hij zich een hardnekkig pleitbezorger en verdediger van de revolutionaire wetsvoorstellen die de volkstribuun Caecilius Metellus indiende tegen het veto van zijn collega's in. Ten slotte werden beiden door een senaatsbesluit uit hun openbare functie gezet. Hij bestond het om desondanks zijn ambt te blijven bekleden en recht te spreken. Pas toen hem ter ore kwam dat er mensen klaar stonden om hem dit gewapenderhand te beletten, zond hij zijn lictoren weg, legde zijn ambtsgewaad af en vluchtte heimelijk naar huis om zich, in verband met de situatie, op de achtergrond te houden. Zelfs maande hij een volksmassa, die zich twee dagen later geheel spontaan voor zijn huis verzamelde en hem op luidruchtige wijze steun toezegde als hij zich op zijn post zou willen handhaven, tot kalmte. Deze onverwachte ontwikkeling bracht de senaat, die in verband met de oploop ijlings bijeengeroepen was, ertoe hem dank te betuigen bij monde van enkele vooraanstaande leden. Zij nodigden hem uit in het senaatsgebouw te komen, prezen hem in zeer vererende bewoordingen, trokken hun eerdere beslissing in en gaven hem al zijn bevoegdheden terug.
Hij kwam opnieuw in een gevaarlijke situatie, toen zijn naam genoemd werd als een van de medestanders van Catilina. Lucius Vettius maakte namelijk melding van hem bij het onderzoek dat geleid werd door Novius Niger, en in de senaat werd hetzelfde gedaan door Quintus Curius, aan wie van staatswege een beloning was toegezegd omdat hij als eerste de plannen van de samenzweerders had bekendgemaakt. Curius zei dat hij zijn inlichtingen van Catilina had, Vettius kondigde zelfs aan dat hij een eigenhandig geschreven brief van Caesar aan Catilina zou overleggen. Dit werd Caesar te bar. Hij bewees aan de hand van een getuigenverklaring van Cicero, waar hij hem om had gevraagd, dat hij uit zichzelf bepaalde inlichtingen over de samenzwering had verstrekt, en wist te bereiken dat Curius zijn beloning niet kreeg. Op Vettius' bezittingen werd beslag gelegd en zijn huis werd leeggeplunderd. Nadat hij zwaar mishandeld en in de volksvergadering voor het spreekgestoelte bijna gelyncht was, gooide Caesar hem in de kerker. Novius, de rechter van onderzoek, ging dezelfde weg, omdat hij had toegestaan dat een hoger geplaatste magistraat voor zijn rechtbank in staat van beschuldiging werd gesteld.
Na zijn praetuur viel hem door loting de provincie Zuid-Spanje toe. Hij kon zich van zijn schuldeisers, die hem in Rome wilden houden, ontdoen doordat enkele mensen zich voor hem garant stelden. Daarna vertrok hij, in strijd met wet en gebruik, nog voor hem de benodigde gelden voor het bestuur van de provincie waren gegeven.
Dit waren bladzijde
1 t/m 18 van Julius Caesar uit Keizers van Rome door Suetonius in de vertaling
van D. den Hengst.