Verwonderd
Soms ga ik over drukke wegen,
Toch ben ik eenzaam en alleen.
Zoveel mensen kom ik tegen,
Verwonderd kijk ik om mij heen,
Er is geen mens, geen hand die reikt,
Om mijn alleen zijn te verstoren.
Eenzaamheid die niet meer wijkt,
Tussen zovelen, loop ik stil verloren.
Soms ga ik over stille paden,
Te samen met een enkele vrind.
Mijn eenzaamheid wordt dan geraden.
Verwonderd kijk ik als een kind,
Naar de hand, die mij wordt toegestoken.
Door de warmte van dat gebaar,
Wordt de eenzaamheid doorbroken
En voelt het leven minder zwaar.
Paula, juni 2000