Download PuTTY ssh client

De videocamera belicht
[alle ´ins´ en ´outs´ van de camera nog eens op een rijtje]

De videocamera voor consumentengebruik zal nu ongeveer zo´n twintig jaar op de markt zijn. Eerst was er nog sprake van vrij forse camera´s met bijbehorende portable recorder. Inmiddels worden er voor de consument uitsluitend camcorders´ geproduceerd. De digitale camcorder modellen worden tegenwoordig ook professioneel gebruikt. Alleen voor studio-opnamen en videofilms waarbij een zeer hoge kwaliteit verlangd wordt zijn nog aparte camera´s zonder ingeouwde recorder in gebruik.

Sinds de introductie hebben camcorders een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. De beelden die met de eerste camcorders werden gemaakt waren ten opzichte van beelden gemaakt met de gangbare systemen kwalitatief duidelijk minder goed. Echter de kleine afmetingen en bijbehorend gewicht gaven voor velen de doorslag toch een camcorder aan te schaffen. De industrie heeft hierop goed ingespeeld en op het ogenblik is de kwaliteit gemiddeld uitstekend.

Er zijn nog maar een paar systemen te onderscheiden. Het verschil zit in de gebruikte videocassettes (Video-8 en VHS-Compact). Verder zijn er nog systemen waarmee een hogere kwaliteit kan worden bereikt (Hi-8, Super-VHS en Digitale Video).

Wat echter niet of nauwelijks veranderd is in de loop der jaren is het gebruik van de camera. Er zijn wel heel wat moderne foefjes op de nieuwe camcordermodellen te vinden, maar voor het maken van goede opnamen zijn de meeste extra voorzieningen nauwelijks van belang.

Waar moet een opname minimaal aan voldoen om bruikbaar te zijn? Er zijn in beginsel vijf zaken waarop moet worden gelet:

Kadering
(beeldcompositie)

Stabiliteit
(stilhouden en rustig bewegen van de camera)

Beeldscherpte

Belichting

Kleur


KLEUR

Kleur wordt door de videocamera omgezet in een reeks afzonderlijke beeldpunten met de kleuren Rood Groen en Blauw (RGB). Om een kleur te kunnen herkennen wordt van de drie hoofdkleuren de intensiteit gemeten waardoor in principe elke kleur kan worden geanaliseerd

Om bij het laatste punt in de gegeven opsomming (kleur) te beginnen, kan opgemerkt worden dat er tegenwoordig eigenlijk niets meer fout kan gaan. De automaat die de zogenaamde ‘witbalans’ regelt werkt vrijwel feilloos. Met de automaat ingeschakeld kan de kleur nooit meer echt verkeerd zijn. Zoals dat vroeger nog wèl eens voorkwam, zult u tegenwoordig nooit meer thuis komen met volkomen groene, rode of blauwe opnamen. Tenzij u de automaat niet gebruikt en een keuze maakt uit voorkeuze instellingen zoals kunst- / TL- / daglicht. Als de camera is uitgerust met een kleurenzoeker kunt u de kleur zelfs al in de gaten houden tijdens het opnemen.

Als het echter om kritische kleur opnamen onder vervelende lichtomstandigheden gaat, zoals bijvoorbeeld onder een fel gekleurde parasol of in een tent met gekleurd zijl, is het voor een goede kleurweergave echt wel nuttig de witbalans met de hand in te kunnen stellen. Voor het met de hand instellen van de witbalans is het nodig de camera een wit-referentie te geven. Dit moet een oppervlak of voorwerp zijn waarvan de kleur op het oog wit is. Dit kan bijvoorbeeld een witte auto, een T-shirt of een glas melk zijn. Om er zeker van te zijn hetjuiste wit te kiezen is het handig gewoon altijd hetzelfde vel wit papier mee te nemen voor het instellen van de witbalans.

Op de verschillende camera’s zijn ook verschillende manieren te vinden waarop de witbalans moet worden ingesteld. Meestal komt het erop neer dat de camera zodanig op een wit vlak moet worden gericht dat het vlak beeldvullend is. Er mag beslist geen andere kleur zichtbaar zijn want daardoor wordt de witbalans al beïnvloed.

Het is ook een goede gewoonte tijdens het witten niet goed scherp te stellen op het referentie object. Hierdoor ontstaat een egaal wit beeld.

Er kan ook voor het maken van de witbalans een witte lensdop op de camera aanwezig zijn, maar deze werkt eigenlijk alleen behoorlijk bij voldoende licht. Bij weinig licht heeft ‘witten’ op deze manier dus weinig zin. Als, op wat voor manier dan ook, een wit beeld verkregen is, kan de camera hierop worden ingesteld. Dit gaat tegenwoordig meestal met de functie ‘hold’ van het witbalansprogramma. Om snel een goede witbalans te kunnen instellen is het van belang met deze functie te oefenen. Experimenteer maar eens met gekleurde referentieobjecten en kijk wat de invloed is op de kleur van de opnamen. Met de automaat is de witbalans nooit fout maar ook nooit optimaal.

 


BELICHTING

De hoeveelheid licht die op het opname-element van de videocamera terecht komt wordt mechanisch geregeld door het vergroten en verkleinen van de lensopening.

De eerste videocamera’s voor consumentengebruik gaven alleen bij veel daglicht een redelijk scherp beeld. Bij het maken van goede binnenopnamen was behoorlijk wat extra licht nodig. Drie lampen van elk 1200 Watt waren vaak nodig. Inmiddels is de gevoeligheid van de het opname-element van de camera zo groot geworden, dat u in de praktijk eerder last heeft van teveel dan te weinig licht. Toch lukt het nog steeds niet een ruisvrij beeld te krijgen bij de minimale lichtomstandigheden, die bij de camera worden opgegeven. Een lichtsterkte van 3 Lux is gewoon heel erg klein. Inderdaad er kan bij kaarslicht worden gefilmd maar dan zie je alleen het kaarsvlammetje.

Gemiddeld zal er in een goed verlichte ruimten zoals kantoren, woonkamers met lichte wanden en plafond, schoollokalen enz. voldoende licht aanwezig zijn. Er is eigenlijk maar één manier om vast te stellen of ergens echt voldoende licht aanwezig is, en dat is door een paar proef opnamen te maken en te controleren of er geen ruis in de gemaakte opnamen aanwezig is. Als er in de opnamen ruis aanwezig blijkt te zijn, heeft het zin om extra verlichting toe te passen.

Als er persé onder slechte lichtomstandigheden moet worden opgenomen zijn er nog wat mogelijkheden de lichtgevoeligheid van de camera op te krikken. De meeste camera’s zijn uitgerust met een ‘gain’-functie. Gain betekent winnen, en inderdaad er kan meer zichtbaar gemaakt worden als de normale belichtingsregeling met het instellen van het diafragma (iris) aan het eind van de mogelijkheden is. Op dat moment staat de lens helemaal open en zal de maximale hoeveelheid licht doorgelaten worden en op het opname element terechtkomen. De ‘gain’- functie verhoogt de gevoeligheid van het opname element. Er komt geen extra licht op het element maar het wordt wel beter zichtbaar. Zoals te verwachten zal de ruis in beeld oo toenemen.

Een extreme voorziening voor het maken van opnamen in volslagen duisternis is de ‘Night shot’. Deze voorziening is eigenlijk alleen bruikbaar als u heel speciale opnamen wilt maken of uw camera inzet als bewakingscamera. Een fabeltje dat de verkoopcijfers van camera’s met nightshot aan boord snel deed stijgen was, dat, als je de night shot functie ook inschakelde als de camera bij daglicht werd gebruikt, je door de kleren van mensen heen kon kijken. We hebben dit uitgebreid getest maar het enige effect is dat er nauwelijks kleur overblijft in de gemaakte opnamen.

Zoals gezegd is tegenwoordig teveel licht eerder een probleem dan te weinig licht. In bepaalde gevallen zal de belichtingsautomaat niet goed werken. De automaat stelt de belichting meestal in op een gemiddelde van het op te nemen beeld. Als er in beeld grote contrastverschillen voorkomen, blijkt dat de automaat kiest voor het regelen van de belichting op het sterkste licht maar wel afhankelijk van de mate waarin dit in beeld voorkomt. Hierdoor zal bij een overwegend helder beeld de belichting zodanig worden ingesteld, dat minder goed verlichte delen donkerder worden weergegeven dan ze op het oog lijken. Een goed voorbeeld is wat er gebeurt als er een opname gemaakt wordt van bijvoorbeeld een kerk bij bewolkt helder weer. Zolang de kerk de meeste ruimte in beeld inneemt is er sprake van een goed doortekend beeld; stenen in de muren zijn goed zichtbaar. Als nu met de camera een zogenaamde ‘tilt up’ (verticale camera beweging omhoog) wordt gemaakt, komt er steeds meer heldere lucht in beeld waardoor de belichting automatisch wordt aangepast aan de nieuwe beeldinhoud. Het gevolg hiervan is, dat de het licht dat door de kerk wordt gereflecteerd verhoudingsgewijs steeds minder wordt. We kennen allemaal het resultaat van een opname onder deze lichtomstandigheden. Uiteindelijk zijn van de kerk alleen nog de contouren te herkennen.

Er zijn twee mogelijkheden om de hiervoor beschreven opname te verbeteren. De eerste mogelijkheid is het toepassen van de functie ‘back light’. Deze functie zorgt ervoor dat de door de automaat bepaalde irisopening met een vaste waarde wordt vergroot. Hierdoor worden minder goed verlichte delen van een opname iets opgewaardeerd. Nadeel is wel, dat ook de heldere delen worden opgewaardeerd en enigszins hinderlijk gaan ‘stralen’.

De tweede mogelijkheid is de belichting met de hand te regelen. Meestal zijn de bedieningsknopjes voor deze functie op z’n minst wat lastig te bedienen maar met wat geheen-en-weer moet het mogelijk zijn een zo gunstig mogelijke belichting in te stellen. Extra voordeel van handbediende belichting is de mogelijkheid onder bepaalde omstandigheden ook omgekeerd op overbelichte gedeelten in beeld te corrigeren.

Op de meeste camera’s zijn tegenwoordig ook speciale opname programma’s te vinden. Soms is in zo’n programma de oplossing voor een bepaald belichtingsprobleem al vastgelegd. Dan is alleen het inschakelen van het betreffende programma al voldoende om uit de problemen te komen.

Zoals uit het voorafgaande blijkt is de techniek nog niet zover, dat alles wat met het oog zichtbaar is ook met aanvaardbare kwaliteit op video vast te leggen. Door de beperkingen te leren kennen en er vervolgens rekening mee te houden zullen er uiteindelijk betere opnamen kunnen worden gemaakt. Ook voor wat het onderdeel belichting betreft is het aan te bevelen eens opnamen te maken van extreme situaties en te proberen het resultaat zo goed mogelijk te laten zijn.

 


BEELDSCHERPTE

De eerste videocamera's waren in feite filmcamera's waar beelden met behulp van een opname element (elektronenbuis en later CCD of 'chip') werden omgezet naar een elektronisch signaal. Dit signaal kon worden opgenomen met een (portable-) videorecorder en later op een in de camera gebouwde recorder. Alle optische functies –en dan gaat het voornamelijk om het (zoom-) objectief- waren in het begin handbediend. De wijze van bediening kwam bij de eerste videocamera's overeen met die van de filmcamera. Voor het instellen van de scherpte was een zogenaamde scherpstelring op het objectief aanwezig. Hierop kon met behulp van cijfers en symbolen de afstand worden ingesteld waarop het scherp te stellen onderwerp zich bevond. Bij de filmcamera werden hiermee veel fouten gemaakt. Er was geen controlemogelijkheid. Bij de videocamera was wel een controlemogelijkheid. Het beeldsignaal kon op een monitor worden weergegeven en de camera was uitgerust met een viewfinder, een miniatuur monitor met oculair. Je kon er zeker van zijn dat wat er in de zoeker te zien was ook werd opgenomen. Er werd praktisch geen gebruik meer gemaakt van de opschriften op de scherpstelring. Je keek gewoon of het beeld scherp was en welke afstand daar bij hoorde was eigenlijk niet meer van belang. Scherp is scherp.

Bij dat laatste kan wel een kanttekening worden geplaatst want scherp blijft niet scherp. Wat is het geval? In allerlei oude (smal-)film boeken wordt beweerd dat je slechts de volgende handelingen moet verrichten om goed scherp te stellen. Eerst volledig inzoomen op het onderwerp, scherpstellen en dan zou je verder klaar zijn. Omdat het resultaat bij film niet onmiddellijk te controleren is viel het niet op dat bij in- en uitzoomen over het hele traject de scherpte varieerde; er zijn, en vooral waren, bijzonder weinig zoom-objectieven zonder dit probleem. Bij video is de scherpte wel direct te controleren en wat blijkt … af en toe moet er gecorrigeerd worden want in de viewfinder zie je gewoon dat het beeld niet altijd even scherp is. Voorgaande heeft ook te maken met lichtgevoeligheid dus bij de allernieuwste camera's zal het probleem minder opvallend zijn maar onder slechte lichtomstandigheden is het zaak continu de scherpte in de gaten te houden in indien nodig te corrigeren.

Omdat de scherpstelring als zodanig niet meer gebruikt wordt zijn de meeste camerafabrikanten afgestapt van de absoluut op een bepaalde afstand in te stellen ring en is deze vervangen door een relatieve scherpstelfunctie. Dat wil zeggen dat je niet meer kunt zien hoe de afstand is ingesteld. Gewoon in de zoeker bepalen of het beeld scherp is. Tegelijkertijd is het automatisch scherpstellen ontwikkeld: auto focus. Er kleven een paar bezwaren aan het automatisch scherpstellen maar voor huis- tuin en keukengebruik voldoen de automaten tegenwoordig gewoon goed. Het grootste bezwaar van auto focus is dat het systeem domweg reageert op voorwerpen of personen die het dichtst bij de camera aanwezig zijn. De automaat gaat ervan uit dat scherpgesteld moet worden op iets dat het dichtst bij staat. De filmer kan dit misschien helemaal niet willen en zal dan toch met de hand moeten sherpstellen. Een goede tussenoplossing is de 'one shot' functie. Er bevindt zich op de meeste camera’s een knopje waarmee automatisch scherpgesteld wordt zolang dit knopje wordt ingedrukt. Door het onderwerp waarop je scherp wilt stellen centraal in beeld te plaatsen en op het 'one shot'-knopje te drukken zal de gevonden afstand worden vastgelegd en zolang de afstand van het onderwerp tot de camera niet verandert blijft het onderwerp scherp. Er kan nu gerust in de voorgrond een voorwerp of persoon door het beeld bewegen; de scherpte instelling verandert niet.

 


STABILITEIT

We weten het allemaal; stil houden die camera. Dat gaat de één wat beter af dan de ander. Vooral als er opnamen uit de hand worden gemaakt. Het lukt het beste in de groothoekstand van het zoomobjectief. Voor het snel volgen van bewegingen is het uit de hand filmen ideaal. Je kunt de meest ingewikkelde camerabewegingen maken waardoor een flitsend geheel kan ontstaan. Als het onderwerp echter statisch zoals een gebouw dan zul je zelfs bij de meest stabiele uit de hand gemaakte opnamen toch storende bewegingen zien. Je houdt het gewoon niet vol. Een statisch onderwerp moet echt goed stil staan.

Het gebruik van een statief is de oplossing voor het maken van stabiele opnamen. Het statief moet wel stevig zijn want anders helpt het nog niet. Bij een te licht statief zullen de storende trillingen en bewegingen niet zo erg zijn als bij het maken van opnamen uit de hand maar het is toch ook geen echte verbetering. Een stevig statief is voldoende voor het maken van statische beelden waarbij van tevoren de beelduitsnede is bepaald en de kop van het statief is vergrendeld. Als er camerabewegingen worden gemaakt zullen die ook vloeiend moeten zijn. Dit vereist een kwalitatief goede statief 'kop'. Een kop van mindere kwaliteit verraadt zichzelf door schokkende bewegingen tijdens het maken van een pan of tilt. De beste statiefkop is een kop met vloeistofdemping. Bij dit soort koppen moet je echt kracht uitoefenen om een beweging te kunnen maken. De weerstand is instelbaar waardoor het mogelijk is voor een bepaalde beweging een goede instelling te vinden.

Omdat het meeslepen van een statief gewoon lastig is zijn er allerlei varianten bedacht zoals het éénbeenstatief maar die hebben duidelijk hun beperkingen. Het meenemen van een zware driepoot is één reden voor de gezonde tegenzin een statief te gebruiken. Een tweede aspect is het goed opstellen van het statief; dit is ook een tijdrovend gebeuren. Op elk statief zit wel een voorziening om te kunnen zien of het statief waterpas staat. Hou er rekening mee dat dit slechts een grove indicatie is. Voordat een opname gemaakt kan worden moeten er in de regel aan de stand van het statief heel wat correcties worden uitgevoerd. Het lastige is dat je niet zo gemakelijk tijdens het corrigeren in de zoeker kunt blijven kijken. Om bijvoorbeeld een 360º-panorama te maken moet de opstelling van de camera zo zijn dat de horizon rondom goed in beeld komt. Dit vereist heel veel correctiewerk want als het statief recht staat geldt dit niet automatisch voor de camera. Deze tijdrovende bezigheden hebben zo ook nog eens een negatieve invloed op de energievoorziening. Stel je voor dat je eindelijk alles goed gepositioneerd hebt en de batterij blijkt dan leeg. Redenen te over om het statief maar thuis te laten. Maar bij het bekijken van de uit de hand gemaakte opnamen zul je altijd denken: "Had ik nou toch maar ….".

Een statief met kogelgewricht geeft minder problemen bij het rechtzetten omdat de basis van het statief niet exact waterpas hoeft te staan. Door het kogelgewricht is het mogelijk de camera in de juiste stand te plaatsen terwijl je gewoon in de zoeker kunt blijven kijken.

Om stabieler opnamen uit de hand te kunnen maken hebben de camerafabrikanten de zogenaamde steady shot ontwikkeld. Er is een elektronische- en een optische versie. Het komt erop neer dat bewegingen van de camera worden gecompenseerd door tegenbewegingen op hetzelfde moment. De elektronische variant beschikt daarvoor over extra beeldelementen op de opnamechip. Als de camera wordt bewogen komt het beeld links, rechts, boven en beneden buiten het zichtbare kader van de opnamechip te liggen. Omdat de chip meer beeld opneemt dan zichtbaar is het mogelijk om het stukje beeld dat door trilling buiten beeld kwam terug te zetten op de juiste plaats. Dit is een omslachtige manier van werken en bovendien kan er niet zo erg veel gecorrigeerd worden. Een beter oplossing is de optische stabilisatie. Sony noemt deze oplossing, waarbij gebruik wordt gemaakt van een extra lenzenstelsel, 'steady shot'. Bij het door trilling ongewild bewegen van de camera verschuift ook het kader. Steady shot zorgt ervoor dat het objectief zodanig wordt gecorrigeerd dat het kader toch hetzelfde blijft. Ook hier kunnen al te grote bewegingen niet worden gecompenseerd maar daar is het systeem ook niet voor bedoeld.

Een hulpmiddel waarvan de naam heel erg lijkt op de steady shot is de steady cam. De steady cam bestaat uit een draagbare constructie waarop de camera is gemonteerd. Het geheel is in balans op een handgreep. Hierdoor zal de camera altijd automatisch waterpas komen te staan. Met deze voorziening kunnen heel vloeiend camerabewegingen worden uitgevoerd. Voorwaarde is wel dat er beweging is want in stilstand vallen toch weer instabiele handbewegingen op.

Je kunt natuurlijk de beschikking hebben over de meest geavanceerde hulpmiddelen voor het maken van een stabiele opname maar als achteraf blijkt dat de camera niet recht stond –en dat zie met een beetje pech pas als je thuis je opnamen bekijkt- heb je nog geen bruikbare opname. Hoe kun je nou bepalen of de camera recht staat? De beste methode is voor een opname waar de horizon goed zichtbaar is, de horizon gelijk te laten lopen met de onderste of bovenste rand van het kader en zonder de camera ook maar een beetje te kantelen de horizon op de gewenste hoogte in het kader te plaatsen. Het wordt wat lastiger als de horizon niet zichtbaar is. Soms kun je bijvoorbeeld bij een bosrand de horizon wel ongeveer bepalen en bovenstaande methode toepassen. Het wordt allemaal wat ingewikkelder als de horizon onzichtbaar is en je het onderwerp vanuit een bepaalde hoek moet opnemen. Goede referentiepunten zijn dan verticale lijnen zoals bijvoorbeeld lantaarnpalen, rechte wanden en constructies van gebouwen. Als je ervoor zorgt dat één van die verticale referentielijnen het kader precies in twee gelijke helften verdeelt en zich dus recht en midden in het kader bevindt, staat de camera goed recht. Verticale referentielijnen nooit gelijk leggen met de randen van het kader als je onder een hoek opnamen maakt.


Verticale referentielijn gelijk gelegd met kader links
Verticale referentielijn gelijk gelegd met kader rechts
Verticale referentielijn gelijk gelegd met kader midden
kerk04.JPG (14082 bytes)
Camera in horizontale vlak gedraaid tot gewenste beeldindeling is gevonden

 


KADERING

Voor het instellen van het kader; zeg maar bepalen hoe het beeld eruit gaat zien zijn twee technieken mogelijk. In het eerste geval wordt de camera net zolang verplaatst tot de gewenste beeldinhoud is gevonden. In dit geval wordt er gebruik gemaakt van de groothoek instelling van het objectief. Deze instelling komt min of meer overeen met datgene wat je met eigen ogen kunt waarnemen. Meestal betekent het opnemen in groothoek dat je naar het onderwerp toe moet lopen en de meest interessante beeldinhoud kunt vinden door er min of meer omheen te lopen. In principe is dit de beste manier van kaderen. Het geeft de kijker een gevoel van betrokkenheid.

De meeste videocamera's beschikken tegenwoordig over een enorm aantal malen 'zoom'.; al dan niet digitaal. Je kunt vrij gemakkelijk vanuit één standpunt op afstand verschillende beelduitsneden maken door in- en uit te zoomen. Nadeel is dat op deze manier vaak het beter gluurwerk ontstaat. Vooral als er uit de hand wordt opgenomen worden de beelden al heel snel onstabiel. Als er een statief wordt gebruikt kan de stabiliteit wel een stuk verbeteren maar vooral het perspectief wordt op deze manier zodanig vervormd dat er een gevoel van afstand blijft bestaan.

Er zijn toepassingen waarbij juist gebruik wordt gemaakt van deze methode om bepaalde effecten te realiseren. Doordat de lichtsterkte van het zoomobjectief bij het gebruik van een kleinere hoek terugloopt is het mogelijk op deze manier een onderwerp scherp op te nemen waarbij de achtergrond onscherp wordt. Naarmate er minder licht beschikbaar is zal het verschil in scherpte toenemen. Omdat bij het opnemen met een kleine hoek (ingezoomd) in afstand minder ver van elkaar af lijken te liggen kun je een indruk geven van een enorm drukke straat waar iedereen elkaar vlak op de hielen zit terwijl er in werkelijkheid meters afstand is tussen de personen. Bij sportwedstrijden zoals wielrennen wordt vaak ingezoomd als het peloton in de verte zichtbaar wordt. Je ziet dan een groep fietsers die zich enorm inspant maar geen centimeter van z'n plaats lijkt te komen.

Nu is wel duidelijk dat er een keuze is om technisch het kader te bepalen maar dat wil nog niet zeggen dat het kader dan ook op natuurlijke wijze wordt gevuld met de beschikbare elementen. En toch is het uiteindelijk de bedoeling dat er een film ontstaat waar je naar kunt kijken zonder bewust of onbewust onaangenaam verrast te worden waardoor de aandacht afneemt.

Sommige van die onaangename verrassingen zijn vrij duidelijk aan te wijzen. Het is niet prettig te kijken naar snelle pan-,tilt en zoombewegingen of het moet binnen een bepaalde stijl passen. Het kijkt echt een stuk fijner als je op een normale manier kunt zien wat er gebeurt. Verder moeten de elementen in een kader in evenwicht zijn. Dit is misschien makkelijker te bepalen door een trucje toe te passen. Als je door je oogharen kijkt worden details onscherp. Je ziet alleen nog maar vlakken. Met enige oefening is op deze manier deze vlakken binnen het kader in evenwicht te brengen.

Het is al vaker gezegd: houdt ogen van personen altijd boven de middellijn van het kader; liefst weer op tweederde van onder. Dit geeft een vertrouwd gevoel want als je iemand in het dagelijks leven aankijkt zie je de ogen van degene die je aankijkt ook gevoelsmatig ongeveer op deze hoogte. Dat heeft te maken met de manier waarop we de wereld inkijken. Als in een kader de plaats van ogen te laag of te hoog krijgen we het onaangename gevoel anders te kijken dan we gewend zijn. Als je in een situatie ogen lager wilt zien dan je gewend bent zul je je hoofd in je nek moeten leggen en dat is echt niet lang vol te houden. Aha wordt er nu gedacht …en hoe zit het dan als je een kind aankijkt? Nou dan pas je de stand van je hoofd op een normale manier aan en zorg je er zonder er bij na te denken voor dat je ook de ogen van het kind toch weer op de vertrouwde plaats ziet. Bij het kijken naar kaders waarin ogen te laag zijn geplaatst wordt een aanslag gepleegd op je normale waarnemingsvermogen. Ook hier geldt weer: er kunnen redenen zijn om hier bewust gebruik van te maken.

Als laatste nog even herinneren aan de zichtruimte. Zorg er altijd voor dat als een persoon een bepaalde kant opkijkt ruimte in het kader te houden of te maken in de kijkrichting. Tegelijkertijd kun je ervoor zorgen dat er geen storende ruime zichtbaar wordt achter de betreffende persoon. Deze ruimte is een zogenaamde blikvanger en leidt de aandacht af van het onderwerp.

Als voorlopig laatste aandachtspunt de 'richtlijn van derden'; deze is besproken in het septembernummer van Videoclub Magazine. Bedenk wel dat dit slechts één van de richtlijnen is voor het maken van wat geraffineerdere beeldcomposities. Maar met de rust-, ogen-, evenwicht- en zichtregeltjes kom je al een heel eind. Door de richtlijnen eerst consequent toe te passen is het op termijn mogelijk bewust hiervan af te wijken. De kijker zal al dan niet bewust het verschil zien tussen onkunde en experiment.

Tot slot nog even het verschil tussen de professional en de amateur:

De amateur probeert iets goed te doen maar

de professional moet ervoor zorgen nooit iets fout te doen.

 

[ Video Club Hoorn en de Regio | Video club magazine inhoud | H & R Video ABC ]

[ blocqx11 ]