VAN LEON NAAR SANTIAGO DE COMPOSTELA, 9 juli 98 - 25 juli 98

 

Leon, 9 juli

En vanmorgen weer, toen ik even langsging in de refugio in Mansilla, iets van MaRia in het boek. Ze heeft een nieuw dorp gevonden en heeft het naar haar zin. Ik ben half jaloers, mis het sociale bedje, maar er zijn zo weinig mensen/pelgrims die me aanspreken.

Tussen de middag een brief geschreven aan Geert en Marijke. Hij is niet zo mooi geworden als ik wel had gewild, ik had er meer rust voor moeten nemen. Maar ik voelde me een soort verplicht.

Vele lange, behoorlijk hete kilometers over de asfaltweg. Mijn stok ben ik kwijt, vergeten na een pauze.

‘Hasta luego’; Spanjaarden spreken het uit als ‘a logo’. Ik zit nu op een pleintje in ‘el barrio Húmedo’, een soort quartier latin. Kleine straatjes, veel bar’s en restaurants, er is veel tekst voor ingeruimd in de speciale folder voor pelgrims die de VVV uitgeeft. De sfeer is die van terrasjes, paren waarvan de vrouw uiterst zorgvuldig, mooi is gekleed (de man quasi-onzorgvuldig) en zich graag de hele avond lang wil laten charmeren door haar partner. Nauwe straatjes, huizen tweehoog, eind vorige eeuw, uítstekende verdiepingen, balkons met ijzeren siersmeedwerk. Een Hollander zou zeggen: ‘gewoon gezellig’. Een hoertje op de hoek bij een houten pilaar.

Men zit en eet. Of flaneert. De zomeravonden hebben hier een gelukzaligheid waardoor je pas na achten gaat leven, wakker wordt, de dingen regelt die in de hitte niet kunnen. Grote parasols houden de warmte nog even vast, zwermen zwaluwen vangen de vliegende mieren die soms zomaar, plots, op je bord vallen.

 

10 juli, Villadangos, 19.30 uur

Een klotetocht. Twintig kilometer langs een grote weg, heet in de middagzon. Want ik was te laat uit Leon vertrokken. Ik nam geen dag extra daar: er waren te veel verleidingen. Op het postkantoor bleek de posterestante van Astorga te liggen… Mooi, lief kaartje van Lou. Mooie leus.

MaRia laat elke keer in de refugio een bericht voor me achter. Ook hier: dat ze er genoeg van heeft en snel naar huis wil.

Zo voel ik me ook: de camino is, op enkele uitzonderingen na, landschappelijk weinig interessant. Het is ‘kilometers maken’, niet: wandelen en genieten.

 

 

11 juli, Astorga, 20.00 uur, restaurant Cubasol

Op de weg, vandaag wéér volledig asfaltgrote weg. Maar geduldig leg ik mijn weg af, doe uit verveling een spelletje: tel het aantal passen. Per kilometer 1338, tot twee keer toe. Dat is per pas vrijwel precies 75 cm. Dezelfde lengte als de Romeinen hanteerden (vadem?). Weer een verbinding tussen mijn tocht en het romaanse/romeinse. Ik tel nog een keer, zonder stok dit keer. Het maakt geen verschil.

Ik heb een nieuwe stok. Afgebroken van een gestorven boom (nog gedeeltelijk toch nog een groene bast). Beeld: iets moet sterven om een nieuw leven te kunnen beginnen. Desnoods als mijn stok.

Astorga. Losse stad. Overal, hier en daar bezienswaardigheden, bijeengehouden door een muur. Los van die muur kent de stad geen structuur, lijkt het.

Geen berichtje van MaRia in het refugioboek (de refugio die ik ontvlucht omdat het te druk is; luxepelgrim). Ik merk dat ik daar een beetje boos om ben. Hier moet ze toch zijn geweest… Om de lacune op te vullen schrijf ik een berichtje aan Femke, die ik zo schattig zie liggen slapen in een van de vele bedden.

Nog even vermelden: de refugio in Hospital de Orbigo zag er prachtig uit. Niet om te slapen (klein, vochtig, gebrekkig) maar prachtig om er even te verpozen: bloemen, luie stoelen, afgeschermd tuintje, miradores.

 

Hospital de Orbigo

 

12 juli, Astorga, 19.00 uur, terras hotel Azur

Wat is belangrijk? Gisteren, eergisteren zag ik Femke een paar dagen in haar dagboek ‘inhalen’. Ze wilde alles vastleggen in een verslag. Ik ben daar al lang geleden mee gestopt. Maar als ik dingen terug wil halen, belangrijke dingen zoals de passage onder de bogen van Sint Antoine, vind ik dat niet terug. Waar was dat? Pas na lang peinzen weet ik het weer, in de etappe naar Castrojeriz. En dat is belangrijk omdat ik daar die mooie pin kocht die nu op mijn hoed zit.

De angstaanvallen, vooral over scènes op mijn werk, die vooral in de halfslaap voorkomen, zijn die belangrijk? Hoe verwerk ik die?

Ik herinner me plaatsen aan de hand van de emotie die ik daar had. Een enkel gevoel en pats! Daar is het plaatje weer.

Wat is belangrijk in Astorga? Sommige schilderijen in het gebouw van Gaudi: Bartolomeus, wiens vel wordt afgestroopt (enige pijn is er op zijn gezicht niet te zien) en die op een volgend tafereel, zijn vel als een jas over zijn schouder hangend, het geloof verkondigt? Andere martelscènes, maar dit is de enige waar ik langer dan goed voor me is, voor stil blijf staan. Grondstof voor nieuwe angstdromen?

 

 

Palacio de Gaudi

 

De Romaans beelden in het kathedraalmuseum? (waar entree geheven wordt, maar waar je via de kathedraal gratis binnen kunt komen). Ja die zijn mooi, zoals ze iets naar links of naar rechts neigen.

 

Ik heb steeds pelgrims voor ogen gehad die verder waren dan ik; nu ik hier op het terras zit, zie ik diverse bekende gezichten die pas vandaag hier aankomen. Gek. Je denkt alleen aan het traject vóór je, nooit aan dorpen of mensen achter je; het ultreya-gevoel. Dat overigens uitstekend bij me past: het voortdurend onrustige ‘elders is het beter’. Maar het maakt me niet gelukkig. Anderen zullen denken dat ik nu de tijd van mijn leven heb. Ik ervaar dat niet zo. Ik kies er bewust voor om alleen te lopen. Maar het maakt me niet gelukkiger. De keuze is ingegeven door mijn kritische instelling: weinig mensen voldoen aan mijn criteria. Dit is beslist wel de meest egoïstische periode in mijn leven. Het gaat om ik, ik, ik. Al het andere pas ik aan aan mijn wensen. Hoe moet dat verder met mij: egoïstisch, moeilijk in het contact met anderen. Wat ben ik toch een tobber.

Spaanse honden lastig? Een fabeltje. Pelgrims van bepaalde leeftijd? Nee.

  

 

 

O Cebreiro

 

De bergen bij O Cebreiro

 

13 juli, Rabanal de Camino, restaurant, 20.00 uur

In Manjarin een gesprek gehad met …., een Nederlandse vrouw die na haar Camino van een paar jaar geleden nog vaak terugkeert in de refugio van Manjarin om daar te helpen. De refugio van de beroemde Thomas, die aldaar de traditie van de Hermanos Templarios (de tempelridders) probeert voort te zetten. Ze voorspelt me een tweede camino na mijn terugkeer thuis. Ook zij zocht een nieuw beroep, ook zij leeft samen met een kunstenaar. Ze was ooit op zoek naar de ‘vallei van de stilte’ (uit het boek van Nooteboom) en heeft die hier toevalligerwijze gevonden, op aanwijzingen van Thomas. Zij gelooft in de heilzame werking van de vele metalen hier in de bergen. Het zwaard, zegt ze, is het symbool van de camino. Het zwaard staat voor de kunst om te leren lopen/leven op het scherpst van de snede tussen goed en slecht.

Ik maakte in de refugio aldaar, een flowerpowerachtig onderkomen, een klein ritueel mee: Thomas geeft een pelgrim die hem de afgelopen dagen heeft geholpen met allerlei rituelen, de zegen. Hij zingt, hard, zwaar, geforceerd vibrato en geeft hem zijn eigen stok, versierd met kruis en schelp, mee. Want: nada nuestra, niets is van ons.

De pelgrim vertrekt met een verrukt gezicht. Later haal ik hem in, zo langzaam loopt hij, nog steeds met dat gelukzalige gelaat.

 

 

 

Cruz de Ferro, links ik, bellend naar huis

 

 

 

15 juli, Perejo, 20.00 uur

Perejo, een plaatsje zo klein dat het op mijn (belabberde) kaart niet eens te vinden is. Een privérefugio, 1200 peseta’s, op vijf kilometer voorbij Villafranca. Alwaar ik de alom aangeprezen refugio van de familie Jato aandoe. Señor Jato geeft regelmatig binnenkomende doodvermoeide pelgrims met veel vertoon een strijk-massage. Allen die hij behandelt kijken er blij van op. Een enkeling gaat daarna plat op de grond liggen.

Ik ontmoet er de Braziliaanse vrouwen weer: Vera en Bernadette (spreek uit: Bernadetsj). Ze zijn blij me te zien en sluiten me onmiddellijk in hun kringetje. We eten er samen, daar in die overvolle, veel te warme tent. Na een halve fles wijn praat ik ook nog portugees.

Na het middagmaal een uitgebreide siësta en ik besluit er nog vijf kilometer aan te plakken. Een luxe refugio hier, alles op en top, een groot kontrast met de flowerpower in Villafranca. Ik ben er alleen met nog drie man, fietsers.

Ik beschouw het als een kroon op een zware dag. Ik besloot vanmorgen een variant op de route te volgen uit mijn franse gids. Het werd een zware route. Het pad verdween zodat ik dwars door de velden moest, wijngaarden. Als ik onderweg niet die prachtige pauzeplek, onder bomen met rijpe kersen, gevonden had zou het een regelrechte rampdag zijn geworden. Nóóit meer doen, die varianten.

 

16 juli, Hospital de Condesa, gite, 19.00 uur

Ik krijg steeds meer mijn bekomst van de volle benauwde refugio’s.

Een mooie hete klim vandaag, naar O Cebreiro.

 

 

17 juli, Calvor, gite, 21.00 uur

Eindelijk wordt het landschap weer mooi: groen, holle wegen, toevallige dorpjes. Eindelijk weer eens op zand! gelopen. Ik tel de dagen, loop tot 30 kilometer per dag. Ik probeer moeizaam de knop om te zetten: plezier hebben, contact maken, om me heen kijken. Nog 125 kilometer.

 

 

 

 

18 juli, Portomarin, Hotel Perez, 19.00 uur

Idem. Frisse ochtend, dan kan je om je heen kijken. Hete middag, dan niet. Hotel genomen, voel me niet thuis bij die kinderen.

Gezien: huizen met grote ingebouwde ovens, alles van leisteen, rond. Huizen van gestapelde leisteen, dan kun je gemakkelijk hoeken maken.

(Shirley Maclaine: dancing in the wind

Paolo Coelho: El Bride, Alchemista

Brucha = witch)

Portomarin

 

19 juli, Palas de Rei, 19.30 uur

Geklommen: eindeloos, 13 kilometer, 500 meter.

Geslapen, voor het eerst, tijdens de middagpauze, onder een boom, bij een kerkje in Lestedo.

Bij het wakker worden vanmorgen, door het open raam: het geluid van pelgrimsstokken vanuit het dal.

Grote letters: FEMKE! op de weg. Iemand is verliefd op ’r.

Een grote bron, liters water per seconde.

Lelijk plaatsje, Palas de Rei, lawaai, verkeer, kaal, veel plastic op straat.

Typisch Spaans, in het restaurant komt men met de volgende gang als de keuken er mee klaar is, niet als jij daar aan toe bent. Ik vind dat wel charmant, zonder poespas. Men ziet aan de loop van de serveerster hoe hard er in de keuken gewerkt wordt. Ik hou daarvan. In Galicië groeten de mensen je niet meer, heet het muziekfestival: ‘no camino’. Ik kan het me voorstellen, het is te veel. Slierten pelgrims, groepen met luidsprekers, gitaren, biddende pastoors, af en toe lijkt het een kermis. Ik mis MaRia, Femke, maar in de buurt zijn: de Zwitsers, de Brazilianen. Heimwee doet je de dingen niet zien die er wel zijn. De kansen.

 

ook camino…

 

Eucalyptusbossen

 

20 juli, Arzua, Hotel, 20.30 uur

Gezien en niet opgeschreven, ongeveer drie dagen geleden:

Ik hoor het klagend gemiauw van een kat. Even verderop zie ik een wat oudere man met een steen inslaan op een plastic zak. Langzaam, berekenend. Als ik vlak bij ben, de laatste slag. Ik kijk hem boos aan en zwaai met mijn stok. Hij roept iets van ‘perros!’, die het gedaan hebben. Ik begin te twijfelen. Is hij een kattenmoordenaar of maakt hij alleen maar een eind aan ondraaglijk lijden? Of ben ik te soft voor deze boerderijen-gewoonte? Ik weet het niet, terwijl ik hem nakijk, de plastic zak in zijn rechterhand waar links en rechts kleurloos vocht uit sijpelt. Het moet een groot beest geweest zijn.

-

De ‘albergue’ in Ribadiso, aangeprezen als een pelgrimshospitaal uit de 15-e eeuw, blijkt een verschrikking. Als ik de poort open doe zie ik de restanten van waar iedereen heeft zitten wachten en nu in grote getale achter de hospitalero aanholt, die als de ene slaapzaal vol is, weer een andere van slot doet. Ik sluit me aan bij de laatste deur die misschien in 1600 groot genoeg was, maar nu veel te klein voor die forse rugzakdragende blozende westeuropeanen. Binnen is het donker. Als ik buk zie ik een kleine keukenhoek en door een andere deur, links (ik moet goed kijken, tussen de hoofden van alle andere reuzen door) zie ik een nieuwe vorm van stapelbedden die ik nog niet kende, óók berekend op middeleeuwse mensenmaten. Ik wurm me door de rugzakzwetende massa heen een weg naar buiten, over de binnenplaats, waar ik de Astorga-groep herken en vlucht door de poort, die ik zorgvuldig sluit, naar buiten. VRIJ!

Even later vraagt een busje vol met pelgrims de weg naar de refugio. Ik wijs deze autopelgrims graag de weg naar deze albergue in Ribadiso.

Een steen gelegd bij paal 44,5 (45 ontbrak, maar had moeten staan in Boente, bij de kerk waar ik snel even de klok luidde) voor mezelf en bij paal 40 voor Lou. Deze laatste op de helling naar beneden naar de mooie brug bij Ribadiso, met op de achtergrond een zelfde marmeren steen, maar dan veel groter.

Overigens was het een prachtige wandeling vanmorgen, verschillend malen in verrukking dingen geroepen. In de middag langzame regen, culminerend in een stortbui in Arzua.

 

21 juli, Lavacolla, café

Nog tien kilometer, een raar idee. Ook raar dat ik vandaag 31 kilometer gelopen heb. Zo voelt het niet. Ik kom fris aan. Misschien dankzij het gesprek met een Schot uit Glasgow over ‘feel the fear, but do what’s necessary’ (of zoiets, de titel van een boek), over lifetime commitment (hij is broeder, maar is bang verliefd te zijn geworden op de camino). Of het niet-gesprek met de Spanjaard en zijn hond. Die tien minuten nodig had om alle plaatsen op te noemen in Europa waar hij op zijn reis van 11 maanden was geweest.

Idee: boekjes over de camino uit te geven. Voor vrienden en kennissen. Thema’s: refugio’s, pelgrims, bruggen, kerken, wegen, liefde, gesprekken, de aardbevingen, de angsten, het ‘waar gaan we vandaag naar toe’, de dagvulling, de boodschappen, de (spannings)boog, het loslaten, de dorpen, de stempels, sterven en geboren worden, de telefoon, de keien.

(adressen)

22-25 juli, Santiago

- De aankomst: Vroeg, zeer vroeg sta ik op in het hotel in Lavacolla, niemand is nog op. De vorige dag heb ik de plek verkend waar ik mijn plan ten uitvoer wil brengen. Even opzij van de verkeersweg kruist de camino het riviertje waar de legende van zegt dat de pelgrims al het reisvuil van zich wasten, alvorens het laatste stuk naar Santiago te lopen. Ik gruw van de gedachte dat pelgrims vroeger zichzelf en hun kleren niet elke dag konden wassen. Wat moet het hier gestonken hebben. Ik ben daarbij gefascineerd door de naam Lavacolla, dat leeterlijk vertaald zoveel betekent als: Waspik. Om tien voor half zeven, sta ik sluiks om me heen kijkend, met mijn broek op mijn knieën inderdaad in dat riviertje mijn pik te wassen. Om een onbekende reden vind ik dat mijn tocht niet af is zonder dit. Later hoor ik van anderen dat ze wel met hetzelfde idee gespeeld hebben, maar niet ten uitvoer hebben gebracht. Ze zijn zonder uitzondering jaloers op me dat ik het wel heb gedaan.

- Elk pelgrimsdagboek beschrijft de laatste kilometers naar Santiago. Maar ik loop hopeloos te zoeken naar de herkenningspunten. Een daarvan zou moeten zijn de Monte de Gozo, de top van de laatste berg, vanwaar het panorama zich over Santiago ontvouwt. Maar het valt tegen; de berg is er wel, maar het uitzicht wordt belemmerd door bomen en gebouwen. Wat een contrast met het rembrandtiaans plaatje dat ik in mijn hoofd had.

- Op de Monte de Gozo de grootste refugio van de camino, zo’n 2000 slaapplaatsen. De ontbijtzaal doet niet onder voor de bedrijfskantine van een groot Nederlands kantoorgebouw. In die ontbijtzaal ontmoet ik David en Hans. Bij het vertrek verliezen we elkaar weer uit het oog, zovele pelgrims zijn er. Alles en iedereen is in plastic, want het regent voortdurend. Ik wil alleen lopen, maar het is bijna onmogelijk.

- Bij het bord Santiago bel ik naar huis, maar het is een raar telefoontje: het is koud, ik sta boven op een grote verkeersbrug, met langsrazend verkeer. Het regent. In een stoet van anonieme wapperende poncho’s loop ik de stad binnen. Nee, we zijn niet bijzonder, niemand schenkt aandacht aan ons.

 

 

 

 

 

25 juli, trein

Ik krijg een onverwachts cadeautje van Vera, met daarbij een opschrift: "A Santiago sempre se vai, nunca se chega". Wat zoiets betekent als: "You’re allways arriving or leaving, but never staying".

Veel pelgrims ten afscheid geknuffeld: Femke, Julia, Christian, David, Vera, de Duitse, Beth.

Op de treinreis terug is het leuk om veel bekende punten te zien: Astorga, de Meseta met zijn boompjes!

Een Spaanse weet te melden dat je met je credencial de helft korting krijgt op de treinreis.

 

de boom van Jesse

 

Ik ben blij dat ik de rituelen in Santiago gedaan heb. Dat zijn er nogal wat: hand in de steen gelegd (waarvan ik later hoorde dat die pilaar de boom van Jesse is, de oorsprong van het leven), mijn hoofd gestoten tegen St. Jacob (3 maal, ik ben er speciaal voor teruggegaan, omdat ik het vergeten was), de namen uit mijn intentielijstje een voor een in de kerk genoemd, het wierookvat zien zwaaien, mijn pik gewassen in de rivier bij Lavacolla, stenen op de kilometerpalen en een enkele keer bij een kruis langs de weg gelegd. Op sommige stenen kruisen zijn fallusachtige symbolen te zien, (tekening), soms gekruist.

Plaza de Quintana, tot laat in de nacht muziek!

 

Verder over rituelen: Vera zal mijn schelp in de zee bij Finisterra gooien. Ik heb Sint Jacob omhelsd, kaarsje opgestoken. David zegt dat ik in Lavacolla ook mijn identiteit gewassen heb, en een nieuwe heb gekregen.

 

Santiago de Compostela

Ik weet dat ik pelgrim ben, was, zijn moet en altijd zijn zal.

 

 

 

 

Terug naar de homepage